Couperus en eten en drinken

Was er al iemand van de familie, dan gingen zij niet dadelijk de trap op, om moeder vooral niet te vermoeien door te groot aantal en te veel stemmen. Dan ontving Anna hen in de beneden-voorkamer, die zij 's winters stookte, en dikwijls prezenteerde de meid een pruimpje op brandewijn. Was de oude heer Takma pàs aangekomen, dan liet Anna niet na dit te zeggen; en de kinderen, de kleinkinderen wachtten meer dan een kwartier beneden, omdat zij wisten, dat mama, grootmama, gaarne een poos alleen was met Takma, haar ouden vriend.

- Ik zeg het niet om iets onaangenaams van de familie te zeggen, hoor jongen. Ik ben misschien hard, maar ik zeg de waarheid, zoo als het behoort. Wie, in onze familie, zegt de waarheid, zoo als ze behoort?
- U, tante, u!
- Ja, ik, ik, ik! riep tante, en in alle de kooitjes stemden haar alle vogeltjes luid twetterend bij. Ga toch nog niet weg, blijf toch nog zitten, Elly. Ik vind het zoo aardig, dat jullie gekomen zijn. Elly, bel eens; dan brengt Klaartje een vruchtje-op-brandewijn: ik maak ze volgens het eigen recept van Anna van grootmama, en die maakt ze zoo als het behoort.
- Tante, heusch, wij moeten nog verder.
- Kom, een enkel pruimpje! drong tante aan, en de vogeltjes inviteerden meê. Anders denkt tante, dat je boos bent omdat tante de waarheid gezegd heeft... De pruimpjes werden geproefd, en daarom was tante in goed humeur, en zelfs toen Lot over de vogeltjes heen riep:
- Tante... is U nooit hysteriesch geweest? antwoordde tante Stefanie:
- Ik, hysteriesch? Neen, zondig wel, zondig ben ik nog als wij allen! Maar hysteriesch ben ik, Goddank, nooit geweest. Hysteriesch, als oom Anton, tante Therèse en... je zuster, Ottilie... ben ik nooit, ben ik nooit geweest...
[...]
- U vindt dus mijn woorden toch mooi.
- Ik vind niets mooi van wat jij schrijft: het zijn vervloèkte boeken, die je schrijft!
Ga je nu wèrkelijk weg, Elly? Toch niet, omdat ik Lots boeken niet mooi vind? Niet? Dan nog een enkel pruimpje... Je moet het recept maar aan Anna vragen, van grootmama. - Nu, goeien dag dan kinderen, en bedenk eens wat voor een cadeautje je van tante wil hebben. Je mag kiezen, kind, je mag kiezen: tante geeft een cadeau, zoo als het behoort!

- Jullie lijken op elkaâr, zei de oude heer Pauws, terwijl zij aan tafel gingen. Kijk kinderen, dàt heb ik voor je. Alles staat maar vast klaar, zie je. Hors-d'-oeuvres. Hoû je van kaviaar, met geroosterde broodjes?
- Ik ben dol op kaviaar, zei Lot.
- Dàt herinnerde ik me! Na de hors-d'-oeuvres mayonnaise van visch: het is misschien wat veel visch, maar ik moest een koud menu verzinnen, want ik heb noch keuken noch keukenmeid Dan koude kip, met compôte: een Hollandsch gerecht:
hier en in Frankrijk eten ze dat nooit samen. Dan pâté-de-foie-gras. Taartjes, voor jou, Elly.
- Ik hoû ook van taartjes, zei Lot, aandachtig zich buigende over de schaal.
- Des te beter. Lekkere Bordeaux, Château-Yquem, en Heidsieck. Ik heb mooie vruchten voor jullie gekocht. Koffie, likeur, een sigaar, een cigarette voor jou, Elly, en dat is alles. Beter kon ik het niet doen.
- Maar papa, het is zoo gezellig!
De oude heer had de Champagne ontkurkt: vlug, met even een draai aan het systeempje van de prop.
- Daar ga je, kinderen...
De wijn schuimde hoog op.
- Wacht Elly, wacht, laat me góed je kelk bij schenken... Daar ga je, kinderen, en wordt gelukkig!

- Ik heb haar in een week niet gezien... Ga je naar haar toe? Dan kan ik wel met je meê gaan... Dejeuneeren we dan, daarna, samen, lekkertjes, of ben ik fâcheux-troisième...? Niet? Nu, dan inviteer ik je... Niet in een van je groote restaurants, die iedereen kent, maar ergens, waar IK je nu eens brengen zal... Een kleine gelegenheid, maar exquis... Een specialiteit van homard à l'américaine, die verrukkelijk is!
- Hij kuste de toppen zijner dikke vingers. - O, wil je nu dadelijk dan naar mama? Goed, dan nemen we een ‘sapin’, want mama woont heel ver...
Hij riep al een rijtuig aan, gaf het adres.

Elly zeide niets. Hare oogen stonden groot en star. Zij begreep toewijding en zij begreep roeping; al begreep zij voor zich ànders, zij begreep.
- En nu, naar de homard à l'américaine! riep Theo.
En terwijl hij een rijtuig aanriep, was het of zijn dikke lichaam ontspande, louter van blijheid om te ademen in frissche en vrije lucht.

Zij namen een bad, dejeuneerden in hunne kamer, een beetje moê van de reis, en de geur van de rozen, de gloed van de zon, het verdiepende turkoois van de lucht en het al meer en meer overschuimvlokte staal van de zee bedwelmden beiden. Op de tafel, om gevogelt, vlakte rood en oranje de slâ van tomaat en van poivron, en in hun glas champagne schenen lange parelen te smelten. Met sterke rukken stak op de wind en veegde wat wazig nog huiverde weg met zijn straf brutale liefkoozing van mannelijkheid. Gloeiende goot de zon zijn stroom, als uit een gouden gat in den turkooizen hemel.
Bij elkander zaten zij, bedwelmd, en aten en dronken, en spraken niet. Een rust, maar een matheid te gelijker tijd, vloeide hun door, als in een overgave aan de krachten des levens, die waren zoo woelig, en zoo heftig, en zoo goud van glans en sanguiniesch brutaal.

Kijk mijn laatste zomerrozen, die bloeien zoo gezellig dol en verward. Heerlijk, hier, hè, die heliotrope; ja, die is nog prachtig... Kijk mijn peren; heb je ooit zulke groote peren gezien? Hoeveel heb ik er, drie, vier, vijf, zes... We zullen ze plukken; ze zijn al rijp... Als ze op den grond vallen, eten de mieren ze op, in éen oogenblik... Aldo!
Aldo! Kom eens hier... Aldo, pluk eens een paar peren, wil je... Ik kan er niet bij, Lot ook niet... Elly, heb je mijn druiven gezien; kijk eens, mijn druiven-portiek? Ja, net een laube, en het zijn van die framboze-druiven: we zullen ze proeven... Hier heb je een tros... Ze zijn heerlijk... De peren zullen wij straks aan tafel eten. Die zijn net gesuikerde, aromatische sneeuw... Hier heb je vijgen: dat is een oude boom, maar hij is nòg een symbool van de vruchtbaarheid. Pluk maar, snoep: hier heb je mijn perziken. Wat is de zon nog warm, hè, en alles stooft: die natuurlijke parfum vind ik zoo heerlijk... Die druiven soms maken me gek. Zij stak uit de mouw van haar witten japon een blanken arm tusschen de wazige, blauwe trossen en plukte, en plukte meer. En het was een gulzigheid, in de druiven zwolgen zij. Aldo plukte de mooiste voor Elly. In de kalme rust van zijn elegante forschheid, de veertig voorbij, was hij duidelijk een man van liefde, een zuidelijke man van liefde, rustig, en tòch, glimlachend, een hartstochtnatuur. In de nonchalance van zijn grijs flanellen pak teekende zich, nu hij zich lenig hief en de hand reikte naar de hoogste trossen, spierig en soupel, de harmonie van een statuesk mooi mannelijf, en was zelfs deze tegenstrijdigheid in hem, dat men dacht aan een antiek beeld in een modern kostuum.

Het had hun eetlust gegeven en de oranjekleurige bouillabaisse prikkelde tintelend het verhemelte. In eenvoudige, maar groote korven, op het buffet, stapelden zich de vruchten en waren ook binnenshuis de overdaad van den herfst.
- Lot, zei Elly opeens. Ik weet niet wat het is... maar ik voel op eens het Zuiden.

- Een mooie mantel, tante...
- Ja-a-à, kind, soo een oùwe vel! zei tante Floor, minprijzende. Al van drie jaar bgeleden. Maar lekker in Gholland. Wàrrrm!!
Zij beet het laatste woord, blijde om den mantel, in Ina's gezicht, met rollende medeklinkers. Zij zetten zich alle drie en Anna vond het zoo gezellig, dat zij pruimen-op-brandewijn bracht, drie glaasjes op een blaadje.
- Of wil ù liever thee, mevrouw Ina?
- Neen Anna, je pruimen zijn heerlijk...
De meid trok zich, blijde, terug, gelukkig over de beweging in het benedenhuis van haar oude mevrouw, die daar nooit meer kwam.

- Ik ben gekomen om te hooren hoe het met mama gaat, zeide hij.
- Komt u toch binnen! zei Anna. De voorkamer is goed gestookt...
De oude meid joeg de poes naar de keuken; zij hield niet van praatjes in de gang, maar in de voorkamer vond zij het heel gezellig, als de familie er wachtte of kwam informeeren, en zij prezenteerde dadelijk pruimen-op-brandewijn.
- Dat is lekker, met het gure weêr, meneer Lot en mevrouw Elly... Ja, de oude mevrouw is niet meer op geweest... Ach, wie weet of dat niet het einde zal zijn... Toch is dokter Thielens niet ontevreden... En u weet, mevrouw Therèse is er ook! zeide fluisterend de oude meid.